21 juni 2013 In de media

John Coldewijn neemt afscheid

Verdiensten van een Arnhemse ‘Jezus’ Sinds 1988 werkt John Coldewijn met risicojeugd. De ‘Jezus van Vitesse’ neemt dit jaar afscheid.
Bij Oosterbeek lagen de tl-lampen er uit. Bij Driebergen vlogen wc-rollen en blikjes bier door de coupe. Bij Utrecht stond de spoorwegpolitie met blaffende honden op het perron, klaar om dat ‘geelzwarte gajes ‘ uit de trein te halen.

Het is zondag 15 april 1989. Tus­sen dronken, brallende voetbal­fans uit Arnhem staat een tengere man met een lange zwarte haar­dos. Verbijsterd aanschouwt John Coldewijn het oorlogstafereel. Als hulpverlener voor randgroepjon­geren in volksbuurt de Geiten­kamp is hij het nodige gewend.

Hij herkent gezichten uit de Pam­perboys, Presikboys, Sfinx en de Black Cops. Beruchte jeugdgroe­pen, die de politie tegenwoordig zou duiden als criminele groepen. Geregeld moeten de jeugdbendes door het GBO, de elitegroep van de Arnhemse politie, worden aan­gepakt. Bij Vitesse blijken ze één.

„Welkom in de voetbalwereld, Johnny”, mompelt hij.

Drie dagen daarvoor was hij op het stadhuis ontboden. Zes wed­strijden voor het einde van het seizoen 1988/1989 kan Vitesse kampioen worden van de eerste divisie. De voetbalclub wordt aan­gesproken op de vervelende repu­tatie van de Arnhemse aanhang.

Dat moet in de eredivisie echt an­ders, eist voetbalbond KNVB.

Dus vroegen Vitesse en de ge­meente zijn advies. Clubcards, verplichte buscombi’s, stadionver­boden, stewards moeten allemaal nog worden uitgevonden of inge­voerd. „John, jij werkt toch met randgroepjongeren en houdt toch van voetbal?” Wist hij hoe ze dat gajes in toom konden krijgen? In plaats van een balletje te trappen bij Hertog Hendrik, vond hij zich­zelf nu terug op het station van Utrecht. Zonder enige voorberei­ding mee naar de uitwedstrijd AZ. Als het aan de politie lag, zou kampioenskandidaat Vitesse in Alkmaar zonder fans spelen. Tot­dat Coldewijn ging bemiddelen.

Hij wist de politiechef te overtui­gen. Bij uitlevering van de twee grootste vandalen, mocht de rest verder treinen. Joelend hingen ze uit het raam: „Jezus bedankt, Je­zus bedankt”, schalde het over het perron. Die bijnaam heeft hij tot op de dag van vandaag behou­den behouden. Loop maar eens met hem de Zuid-tribune op.

Twintig jaar lang bekommerde hij zich om de harde kern. Van John Coldewijn mag je hen niet zo noe­men. „Het zijn overenthousiaste supporters met een geelzwart hart. Ze komen voor hun club. En reageren impulsief op emoties.”

Dat zei hij toen. Dat zegt hij nu.

Uit en thuis op Nieuw Monniken­huize en later GelreDome werd hij de smeerolie tussen club, poli­tie en aanhang. Oprecht gaf hij ie­dere partij zijn mening. Van de hoogste politiechef tot de groot­ste voetbalvandaal. Hij overtuigde de club mede tot het weghalen van de hekken – de actie ‘Hekkes weg’ – rondom het fanatieke staanvak DD. Om vast te wennen voor de overgang naar GelreDo­me, waar zonder hekken zou wor­den gespeeld. De fans bleven keu­rig in DD. In 1999, koud een jaar na de verhuizing naar GelreDome zat hij zelf geboeid achterin een arrestantenbus. Even niet her­kend. „Olé, ole. Coldewijn gaat mee”, zong de aanhang. Uit het feit dat hij in 1988 de risico-sup­porters in kaart bracht, werd het supportersproject Rijn-Side gebo­ren. Voormalige harde kernleden gingen de harde kern begeleiden.

Het project – gemeente en Vites­se betaalden ieder de helft – was enig in zijn soort. Al stuitte het op scepsis en wantrouwen. Geken­de voetbalvandalen die de harde kern gingen begeleiden? Hoezo de kat op het spek binden? Maar het werkte. Het lukte de vrijwilli­ge Rijn-Siders steeds beter om het wangedrag in toom te hou­den. Onnoemlijk trots was hij op zijn Paarse Brigade, die landelijk belangstelling trok. Coldewijn moest overal lezingen houden.

Wat was hij boos toen toenmalig Vitesse-directeur Paul van der Kraan de stekker er uit trok en de Rijn-Siders als een baksteen liet vallen. Eigenlijk is hij dat nog steeds. Inmiddels dreigen de straathoekwerkers van Rijn-Side het contact met de risicofans bij Vitesse te verliezen. Met alle risi­co van dien, waarschuwt hij fel.

‘Jeugdzorg over naar gemeente is goede zaak’

Het is een goede zaak dat de jeugdzorg een taak van de gemeente wordt, zegt John Colde­wijn, die dit najaar afscheid neemt van Rijn-Side waar hij sinds 1988 werkte.

Hulpverleners van diverse instan­ties zitten straks in wijkteams dicht bij de probleemgezinnen, zegt hij. „Er wordt niet meer ge­wacht totdat de mensen eens op kantoor verschijnen. Voordeel is ook dat er straks niet meer tien verschillende instanties rond één gezin cirkelen, maar dat de diver­se (hulp-)instanties aanpak bin­nen hetwijkteam wordt afge­stemd.”

Om praktijkervaring op te doen start Arnhem in de Sint Marten/Klarendal en Schuytgraaf met twee proeftuinen voor de jeugdzorg. De samenstelling kan perwijk verschillen, zegt Colde­wijn. „Kampt eenwijk vooral met verslavingsproblemen, drugs en al­cohol, dan hoort Iriszorg er in.”

Coldewijn werkt sinds 1988 bij Rijn-Side met randgroepjongeren. Hij vervulde er alle functies. Van straathoekwerker tot teamleider.

Na het heengaan van Ans de Rooy werd hij hét gezicht van Rijn-Si­de, dat tegenwoordig onder de welzijnsorganisatie Pactum valt.

Gelderlander

Hoofdsponsor: