14 oktober 2013 In de media

Theo, pak ‘m terug!

Eind februari overleed ‘Mr. Vitesse’ Theo Bos, hij had alvleesklierkanker. Zestien weken voor zijn overlijden vroeg hij Marcel van Roosmalen een boek over hem te schrijven: Het is zoals het is. Een voorpublicatie.
Ik zat op het Thomas a Kempiscollege, op een steenworp afstand van stadion Nieuw Monnikenhuize. Na school reden we er – de schooltas onder de snelbinder – naartoe om naar de training van Vitesse te kijken. We brachten de ballen terug die de spelers over het doel schoten en vroegen ze na afloop om een handtekening. Die kreeg je op een papier of in een schrift, want bij Vitesse hadden ze geen geld voor spelerskaarten.

Theo had toen nog haar en een snor. Omdat hij achter het stadion woonde, was hij altijd te voet. We liepen wel eens met hem mee tot het Shell-tankstation aan de Rosendaalselaan waar hij blikjes frisdrank kocht. We vroegen dan of hij dacht dat Vitesse ging winnen. Het antwoord was altijd 'ja'.

Een paar jaar later promoveerde Vitesse naar de eredivisie, Theo Bos was uitgegroeid tot de populairste speler. Week na week scandeerden we zijn naam. 'Theo pak 'm terug. Theo pak 'm terug. Theo-Theo- Theo pak 'm terug!' Hard, steeds harder, we smeekten. Net zolang tot de verdediger in het geel-zwart gestreepte shirt met rugnummer 4 wraak nam op de speler van de tegenpartij die ons, de supporters op de overdekte staantribune in stadion Nieuw Monnikenhuize, had geïrriteerd. De oorzaak was vaak een overtreding op een van onze spelers, maar het kon ook iets anders zijn. Een spits met te lang haar bijvoorbeeld.

Theo, het lichaam van een bokser, was dan als een poema. Rustig wachtend tot scheids- en grensrechters de andere kant op keken en dan pats… Dat deed hij slim, hij kreeg bijna nooit een gele kaart. In zijn voordeel was dat er toen nog niet zo veel camera's rondom het veld stonden. Daarna keek hij naar ons, soms gaf hij een knipoog of maakte een beweging met zijn arm, waarna het 'Theo bedankt' van de tribune rolde. Op de neutrale toeschouwer die niet op Theo maar op de bal lette, moet dat een vreemde indruk hebben gemaakt, maar voor ons waren het hoogtepunten.

Tegen Braga voor de UEFA Cup viel vlak voor tijd het licht uit. Trainer Henk ten Cate rookte filtersigaretten in de middencirkel, wij hielden aanstekers omhoog, sprongen en zongen: 'Wie niet springt, die is voor NEK,' een verwijzing naar rivaal NEC uit Nijmegen.
Er was één speler die mee sprong: Theo.

Beginjaren 90 mengden zich wat racisten van de politieke splinter CP '86 onder ons. Hennie Meijer, de donkere spits van FC Groningen met de dikke kont, werd bekogeld met bananen. Theo liep het veld af en at ze op. Er is daarna nooit meer met bananen gegooid bij Vitesse.

Theo Bos, dat voelde je, was een van ons. Hij werd dan weliswaar betaald door Vitesse, maar voor ons was hij altijd amateur gebleven. Hij kwam uit Arnhem, moest net als de meesten 'werken voor zijn geld' en bleef 'normaal doen'. Theo reed niet in een dure auto, droeg een spijkerbroek van een onbekend merk, maakte praatjes met supporters en liet in interviews weten dat bami zijn lievelingseten was, dat hij in zijn vrije tijd kaartte (jokeren) of ging bowlen in het kegelcentrum aan de Schelmseweg en dat hij behalve voetballer ook supporter van Vitesse was. Theo, dat wisten we gewoon, zou ons nooit verlaten. Een zondagmiddag zonder 'Theo pak 'm terug' konden we ons niet voorstellen.

Jaren later, ik woonde inmiddels in Amsterdam, probeerde ik het de mensen daar wel eens uit te leggen waarom Theo Bos in Arnhem zo'n populaire speler was. Dat we door zijn naam te roepen eigenlijk een beetje onszelf stonden aan te moedigen en dat je dat gevoel toch moeilijk kon hebben als je de namen van Johan Cruijff, Marco van Basten of Dennis Bergkamp stond te scanderen.

Ik leerde Theo pas veel later echt kennen. Toen hij trainer van Vitesse werd en ik hem voor het eerst mocht interviewen, was ik zenuwachtig. Het gesprek was samen te vatten in één zin, die hij die middag een paar keer herhaalde: 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.' Daar werd ik als journalist niet blij van, maar feitelijk gezien bevat die ene zin meer wijsheid dan een boek met de gebundelde uitspraken van Johan Cruijff. Eerlijk is eerlijk: ik had nooit gedacht een boek over Theo Bos te schrijven.

Zestien weken voor zijn overlijden vroeg hij het me. Ik wilde en kon niet weigeren, maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat het me makkelijk afging. Het werden rare weken. Mijn jeugdheld werd steeds zieker. Het was vreemd om hem zo traag te zien bewegen. Hij had het over alledaagse dingen en zei soms helemaal niets. Dat waren de zeldzame momenten dat ik me afvroeg: is het dit allemaal wel waard?

'Waarom wil jij eigenlijk een boek?' vroeg ik. 'Voor Lotte, mijn jongste dochter, zodat ze later kan lezen wie ik ben. Misschien dat andere mensen in een vergelijkbare situatie er ook iets aan hebben.' 'Waarom heb je het me niet eerder gevraagd?' 'Toen leefde het bij mij nog niet zo,' zei Theo. 'Bovendien, jij hebt me toch ook gezond meegemaakt? Dat moet er ook in.'

We gingen vooral dingen doen: bloedprikken in ziekenhuis Rijnstate, rondjes rijden in de zwarte Opel door de Arnhemse wijk Geitenkamp, een broodje eten bij Broodje Rico in de Steenstraat, naar trainingen van Vitesse, naar wedstrijden van FC Den Bosch en FC Dordrecht en naar het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam voor de chemo. Wij hadden het dan over zijn jeugd, zijn tijd als speler en trainer, en steeds vaker over ziek zijn en de naderende dood. Theo werd steeds magerder, viel tijdens die gesprekken een keer in slaap, en bleef, ondanks de pijn die hij continu voelde, optimistisch en was soms zelfs vrolijk. Ik had niet de indruk met een doodziek persoon op pad te zijn.

We hadden te weinig tijd, Theo en ik. 'Hoelang doe jij eigenlijk over een boek?' vroeg hij een keer. 'Wedden dat ik eerder dood ben dan dat jij het boek af hebt?'

Een gebrek aan wilskracht kan me niet worden verweten, maar het was al snel duidelijk dat hij die wedstrijd ging winnen. Hij zei dat ik na zijn overlijden maar met zijn vrouw Marieke, zijn kinderen en zijn vrienden moest afspreken. Hij noemde wat namen. 'Bel ze maar als ik dood ben, ik neem aan dat ze dan wel wat positiefs te melden hebben. Over de doden niets dan goeds, toch?'

Er waren ook mensen, bij wie ik vooral niet op bezoek moest gaan. Op gewroet in zijn privéleven zat hij niet te wachten. 'Van de mensen die me zijn tegengevallen, heb ik allang afscheid genomen. Dat is dan afgesloten. Dat soort verhalen zijn voor niemand leuk. Ik ben een keer gescheiden, maar veel spannends is er verder niet gebeurd. Ik ben geen Andy van der Meijde.' Dat klopte.

Na zijn dood bezocht ik zijn familie en vrienden. Ieder gesprek begon hetzelfde: 'Theo Bos was een geweldig mens,' waarna een opsomming van goede eigenschappen volgde. Precies waar ik vooraf bang voor was.

'Streep dat dan maar door,' zei Theo toen ik hem zei dat dat ging gebeuren. 'Een keer of vier is genoeg. Ik ben geen heilige.'
'Wat ben je dan wel?' vroeg ik. 'Gewoon Theo Bos,' zei Theo.

Met Ester Bal, de persvoorlichter van Vitesse, reed ik naar het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam om Theo op te halen die er een chemokuur had ondergaan. Onderweg klaagde ze over Vitesse-trainer Fred Rutten. Ze mocht van hem niet meer mee naar uitwedstrijden, naar het waarom moest ze gissen.

We troffen Theo in een klein, somber kamertje op de vijfde etage. Het uitzicht over Rotterdam was mooi. De stad lag onder een dun laagje sneeuw. De ramen waren dichtgekit met een dikke laag verf. Tussen Theo en zijn kamergenoot – een medewerker van de stadreiniging, die voor Sparta was – hing een geel uitgeslagen gordijn. Theo droeg een pyjama, in zijn borst zat een infuus, daaraan een nog halfvolle zak aan een standaard. 'Ik denk nog een halfuur,' zei Theo.

Theo, die het normaal altijd goed kon vinden met zijn tijdelijke kamergenoten, was gek geworden van 'het gelul van Arie' naast hem. Niet het wikken, het wegen en vergelijken van eikaars overlevings-kansen – Arie stond er beter voor, dat was snel duidelijk – had hem geërgerd, maar de gesprekken over voetbal.

'Hij zat de hele tijd door de samenvattingen van het voetbal heen te praten,' zei Theo op de terugweg, 'en hij wist alles beter. Terwijl ik er aantoonbaar meer verstand van heb. Ik zeg toch ook niet tegen hem hoe hij de stad moet reinigen?'

De avond ervoor waren Mike Snoei en Steve McClaren, die hij kende van een korte stage bij Vfl Wolfsburg, op bezoek geweest. Met Mike had hij samen voetbal gekeken. Daarna had hij geprobeerd zich te verdiepen in de Voetbal International, NuSport en de sportpagina van het Algemeen Dagblad.

Ester had mailtjes uitge¬print die bij Vitesse waren binnengekomen. Veelal beterschapswensen, maar ook aan-bevelingen voor 'Hier een mevrouw die zegt datje meteen naar een arts in Canada moet. Ze voegt eraan toe dat het alles of niets is.' Theo keek de mails kort in en legde ze met een zucht op het nachtkastje naast het bed. 'Ik ben onder behandeling bij topspecialisten. Als er een wondermiddel bestaat, hadden zij het echt wel geweten.'

De zuster kwam, ze heette Inge de Wilde, en ze consta¬teerde dat de zak vloeistof leeg was. 'U mag zo naar huis, meneer Bos.' Ze peuterde de naald van het infuus uit zijn borst en maakte daarbij een onhandige beweging waardoor ze hem prikte. Het bloedde. 'Je doet je naam wel eer aan,' zei Theo. Even later stond hij op om zich om te kleden. Hij had jeuk aan zijn benen, dat kwam door die chemo.
 
'We kunnen er weer even tegenaan,' zei hij toen we in de lift stonden.
 

Varagids week 41 / Foto’s MvR

Hoofdsponsor: