De verantwoordelijke artsen moeten twee keer kijken voordat ze durven te geloven wat de scans hun ogen vertellen. Ze staan op het punt het mes te zetten in een baby. Een onfortuinlijke zuigeling met een troebel toekomstbeeld. Die baby bracht zijn volledige eerste levensjaar door in een ziekenhuis in Rocourt, een Belgische deelgemeente van Luik. Al bij zijn geboorte waren complicaties opgetreden. Zijn strotklepje functioneert niet goed. Tot overmaat van ramp is hij ook nog zwaar astmatisch. Om het euvel aan het strotklepje te herstellen is een operatie vereist, zo luidt de overtuiging bij de behandelende medici. Een dag voordat die ingreep gepland staat, vindt een laatste controle plaats. Dat is het moment waarop ze verrast worden.
GESCHENK VAN GOD
De problemen met het strotklepje blijken op miraculeuze wijze verdwenen. “Ik weet dat Hij me heeft genezen”, concludeert Loïs Openda negentien jaar later, zittend op een tribune van sportcomplex Papendal. Hij draagt een dikke, zwarte winterjas. Daaronder rust een ketting met gouden kruis op een T-shirt. Veters bungelen langs zijn schoenen. “Zonder God zou ik hier nu niet staan. Dat heeft mijn moeder me ook verteld. Het was een geschenk van Hem.” Ondanks de wonderbaarlijke genezing geven de artsen moeder Mariame een waarschuwing. “Ze kreeg te horen dat de kansen kleiner dan klein waren dat ik op hoog niveau zou kunnen sporten. Ik zou nooit twintig meter kunnen sprinten. Nou, dat gaat me nu best aardig af.”
De familie Openda verhuist naar Ans, vlak bij Rocourt. De Congolese vader van het gezin raakt al snel buiten beeld en de Frans-Marokkaanse moeder Mariame moet in haar eentje vier kinderen opvoeden: Jodice, Loïs, Shana en Clever. Oudste broer Jodice neemt als puber de vaderrol op zich en helpt Mariame waar dat kan. “Mijn moeder had het moeilijk in haar eentje. Gelukkig was mijn broer er om haar te helpen. Zij hebben van mij een goed persoon gemaakt. Ik was geen lastig kind. Ik was een grappige jongen die aardig was tegen iedereen. Als kind hoor je buiten te spelen en ik deed niets liever”, zegt Openda. Samen met zijn broer is hij niet weg te slaan uit het parkje dicht bij hun huis. Ieder moment van vrije tijd benutten ze om met de bal bezig te zijn. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Loïs’ broer sluit aan bij de jeugd van Patro Othee, een club waar het gras bijna tot onder je oksels staat en de gebouwen meer weghebben van een ruïne.
“YOU KNOW KIPSTA?”
Jodice maakt indruk en wordt opgepikt door Club Luik, ooit nog een grootmacht in het Belgische voetbal. Op dat moment start Loïs bij Patro Othee en hij heeft voetbalschoenen nodig. Maar moeder Mariame kan niet veel geld missen. Ze heeft het niet breed en moet hard werken om eten op tafel te krijgen. “You know Kipsta?”, vraagt Openda over het voordelige huismerk van Decathlon. “Die schoenen kocht mijn moeder voor me. De beste die ik ooit droeg. Ik maakte heel veel goals en het interesseerde me niet dat ze goedkoop waren. Nee, ik schaamde me er totaal niet voor. Ik ben mijn moeder juist dankbaar dat ze me die schoenen gaf. Die schoenen boden mij de kans om op hoog niveau te voetballen.”
Het volledige interview met Openda is te lezen in ELF Voetbal nummer 12, die vorige week is verschenen.