Speurtocht naar een ziel
VITES! Supporters Vitesse schrijven een boek over negen gesprekken met zielsverwanten
Wie zeven maanden nadat hun club in handen is gevallen van een Georgische zakenman ( Merab Zjordania) een boek uitbrengt over de speurtocht naar de ziel van Vitesse, kan op één vraag rekenen. Heeft Vitesse dan nog een ziel?
Daaraan twijfelen de ras-Vitessenaren Ferry Reurink (37) en Peter Bierhaus (54) niet. En om het verband tussen boek en nieuwe baas direct de wereld uit te helpen.
Reurink: „Het idee voor het boek is al ontstaan in 2009. Toen Zjordania eigenaar werd in augustus vorig jaar hadden we al zes mensen gesproken van de negen mensen die we wilden interviewen.”
De speurtocht naar de ziel van Vitesse is een verzameling interviews met negen mensen die Vitesse in hun hart dragen; van heel oud tot heel jong, van bekend (oud-voorzitter Karel Aalbers, muzikant Alfons Haket) tot de 15-jarige David Meurs. Bierhaus: „Ontdekt op de noordtribune waar ik zit. Gekozen vanwege zijn enorme beleving tijdens de wedstrijden. In hem herken ik iets van mezelf.”
Reurink: „Hij moet in de klas van zich af bijten met die Ajax- en Feyenoordfans. Vijftien jaar en nu al bepaalt Vitesse zijn leven.”
Een speurtocht naar de ziel is een duik in het verleden. Reurink en Bierhaus kozen voor de periode vanaf de zestiger jaren in de wetenschap dat daarmee de TweedeWereldoorlog en de Slag om Arnhem verloren zou gaan. „Dat leeft enorm”, weet Bierhaus. „Die wedstrijd in september met de oorlogsveteranen vinden ook jonge supporters heel bijzonder. Maar we moesten een grens trekken.”
Het ontstaan van de supportersgroepen speelde daarbij een rol.
Bierhaus: „In de zeventiger jaren ging het er heftig aan toe in Arnhem. Het was rauw, donker, het Spijkerkwartier was wild, rock’n roll, de tijd van Long Tall Ernie en de Shakers. Er heerste een echte goeie voetbalsfeer op Monnikenhuize.”
Reurink: „De eerste groepen supporters ontstonden. Amsterdam had sinds 1976 de F- side, bij Feyenoord-Tottenham had je de grote rellen, met een jongen die werd neergestoken. Jongens gingen zich bundelen en verdedigden voor het eerst de naam van Vitesse en Arnhem. Er was kameraadschap, ze gingen op meermanskaarten met de trein naar uitwedstrijden en betaalden voor elkaar als iemand geen geld had.”
Er is het verhaal van Karel Aalbers, de bij leven legendarische clubvoorzitter, die op zijn zesde jaar met de voeten in de zadeltas van de brommer door zijn vader naar Monnikenhuize werd gereden. Of Conny, die tranen in haar ogen krijgt als de spelers het veld op komen. En als het tijdens de wedstrijden van Vitesse te stil was op Monnikenhuize, wist oma ‘ het gaat niet goed’ .
En Gerry ( geen achternaam) van het Rijnfront, die bij Vitesse vond wat hij in zijn jeugd heeft gemist.
Of Marc: ‘Alles wat ik in mijn leven heb gedaan, is verbonden met Vitesse; van mijn school, tot mijn vrienden en mijn vriendin’.
Bierhaus: „Wat blijkt in al die gesprekken is dat het heel diep zit en heel echt is. Die verbondenheid met Arnhem en Vitesse, dat gevoel van eenheid.” Reurink: „Ik kwam met mijn vader in de tachtiger jaren en hoorde van hem over Frans de Munck. Je moest wel iets met die club hebben, wilde je er heen gaan. Het was niks. Wat Telstar nu is, was Vitesse toen. Het was in die tijd makkelijk fan van Ajax en Feyenoord te zijn. Te makkelijk vond ik. Bij Vitesse zaten de mensen op de tribune te hopen op iets waarvan ze wisten dat het niet zou komen.”
(Red.: met dank aan Peter Bierhaus en Ferry Reurink voor tekst en toestemming)