Tom en Gijs
Het blijft een apart gezicht, zo’n skybox vol mannen van het formaat hijskraan, allemaal in veel te krappe zwarte pakken, die zwijgend een levend harnas vormen voor wat mysterieuze rijkaards uit het Wilde Oosten. Een van hen had die ochtend nog stampij gemaakt omdat hij de oversteek van zijn hotel naar het stadion alleen per helikopter wenste af te leggen, een vanzelfsprekendheid die vreemd genoeg in Nederland niet op zo’n korte termijn viel te regelen.
Na afloop van elke wedstrijd in Arnhem ontmoet ik in de stad altijd twee gezworen Vitesse-supporters. Het zijn broers van middelbare leeftijd, ze heten Tom en Gijs en ze zitten in hun stamkroeg altijd aan hetzelfde tafeltje, achter hetzelfde glas bier. Als supporters van een vrij middelmatig Eredivisieteam zijn ze van het klassieke soort. Net als hun lotgenoten in Doetinchem, in Venlo, in Rotterdam-Kralingen en in al die andere speelsteden waar de teleurstelling in elke hoek van het stadion op de loer ligt, hebben ook Tom en Gijs al lang geleden afgeleerd hun humeur te laten domineren door de resultaten van hun club. ‘Dat zou ook niet slim zijn natuurlijk’, zei Tom daar een keer bloedserieus over, ‘ik bedoel: als Vitesse-supporter zijnde.’ En waarschijnlijk had hij nog gelijk ook. Naast hem begon het hoofd van Gijs in elk geval als vanzelf te knikken, want de twee broers zijn het doorgaans roerend met elkaar eens.
Je kunt ze zó uittekenen in dat heerlijk pretentieloze decor van café Vrijdag, een kroeg aan de rand van het centrum, waar Tom en Gijs na elke thuiswedstrijd hun tweemansaflevering van Cheers-in-de-polder opvoeren. Het is een mooi stel. Als Gijs niet bij Vitesse achter het doel staat, runt hij De Waaghals, een platenzaak van het soort dat je alleen nog in de romans van Nick Hornby tegenkomt. De tijd heeft er enigszins stilgestaan; cd’s bijvoorbeeld, verkoopt hij liever niet.
Gijs is een gevoelig mens. Hij heeft nooit afscheid kunnen nemen van het vinyl. Tom is leraar en vader van een druk gezin. Bij elke geboorte sprak hij de vurige wens uit dat zijn kinderen ook Vitesse-supporter zouden worden. ‘Want’, zei hij, ‘dan kunnen ze de rest van het leven ook aan.’ Tijdens thuiswedstrijden hebben ze allebei zo hun eigen rituelen. Tom telt aan het einde van de eerste helft altijd de hoofden van vrienden en bekenden en koopt dan in de rust voor ieder van hen ongevraagd een broodje frikandel, ook voor de mensen die helemaal niet van een broodje frikandel houden. Het is een vorm van bijgeloof.
En Gijs ziet altijd vooral uit naar het laatste fluitsignaal. ‘Nog veertig minuten’, kun je hem vaak horen mompelen, want bij Vitesse begint het aftellen meestal al vlak na de rust. Donderdag, ingeklemd tussen de bodyguards van de multimiljonairs en kijkend naar een verzameling buitenlandse voetballers in geel-zwarte shirts, moest ik lange tijd aan Tom en Gijs denken.
Ver weg van de reuzen met de scheve neuzen, stonden zij ergens anoniem op de Zuidtribune, zoals altijd. Van het Vitesse waar ze in hun jeugd verliefd op werden is niet veel meer over. Monikkenhuizen is al jaren geleden in rook opgegaan, de spelers heten niet langer Theo of Edward maar Michihiro en Guram en de leider is nu een mysterieuze zetbaas uit Georgië genaamd Merab, in plaats van een joviale juwelier uit Velp die gewoon Karei heet. Je zou er flink chagrijnig van kunnen worden. Maar Tom en Gijs worden nooit chagrijnig. Niet van Vitesse in elk geval. Ze berusten in hun lot, zoals klassieke voetbalsupporters dat doen, en beschouwen hun loyaliteit als een lastig maar vanzelfsprekend iets. Zolang zij er nog zijn in Arnhem, is nog niet alles verloren.