Wedden?
Ik wilde en kon niet weigeren, maar ik zou liegen als ik zei dat het me makkelijk afging. Het werden rare weken. Mijn jeugdheld werd steeds zieker, ik zocht –letterlijk – naar woorden.
We gingen vooral dingen doen: bloedprikken in ziekenhuis Rijnstate, rondjes rijden in de zwarte Opel door de Arnhemse wijk De Geitenkamp, een broodje eten bij Broodje Rico in de Steenstraat, naar trainingen van Vitesse, naar wedstrijden van FC Den Bosch en FC Dordrecht en naar het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam voor de chemo. We hadden het dan over zijn jeugd, zijn tijd als speler en trainer, en steeds vaker over ziek zijn en de naderende dood.
We hadden te weinig tijd, Theo en ik.
‘Hoelang doe jij eigenlijk over een boek?’ vroeg hij na een paar weken. ‘Wedden dat ik eerder dood ben dan dat jij het boek af hebt.’
Het was al snel duidelijk dat hij ook die wedstrijd ging winnen.
